
Op vrijdag 27 februari 2026 vond in Het Scheepvaartmuseum de jaarlijkse fellowshipsmiddag plaats. Ook dit jaar bood de middag een boeiend en afwisselend programma, waarin vier Prof. J.C.M. Warnsinck Fellows hun onderzoeksresultaten presenteerden. Het Prof. J.C.M. Warnsinck Fellowship geeft (bijna of recent) afgestudeerde masterstudenten de mogelijkheid om vanuit uiteenlopende disciplines onderzoek te doen naar de museumcollectie. De onderzoeken worden mede mogelijk gemaakt door bijdragen van de Samenwerkende Maritieme Fondsen, de Vereeniging Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum en persoonlijke bijdragen van leden van de Fellowshipskring van de VNHSM.
De visuele cultuur van een kolonie
Als eerste nam Prof. J.C.M. Warnsinck Fellow Lianne Wilhelmus het woord. Een zilveren tabaksdoos vormde voor haar de aanleiding om onderzoek te doen naar beeldvorming van de Kaapkolonie tijdens het Nederlandse bewind (1642–1795). Op deze tabaksdoos zijn zowel Batavia als Kaap de Goede Hoop afgebeeld. Lianne ontdekte dat het object zeer waarschijnlijk toebehoorde aan Jan Jans Kiestra uit Lutjegast, die op zestienjarige leeftijd als jongmatroos in dienst trad bij de VOC.
Om de gegraveerde voorstelling van de Kaapkolonie beter te duiden, vergeleek Lianne deze met andere afbeeldingen van de Kaapkolonie uit de collecties van het Rijksmuseum, het Maritiem Museum Rotterdam, het Allard Pierson en Het Scheepvaartmuseum. Daarin onderscheidde zij vijf beeldcategorieën: de eerste ontmoeting, natuur, bebouwing, macht en onmacht, en maritieme dominantie. Volgens Lianne is de overgang van verversingsstation naar vestigingskolonie duidelijk zichtbaar in de beeldtaal: het beeld verschuift van een indrukwekkend natuurlandschap naar een geordende koloniale ruimte. De afbeelding op de tabaksdoos, waarop Nederlandse schepen dominant zijn weergegeven met veel vlagvertoon, laat volgens Lianne goed zien hoe Nederland zich de macht over de Kaapkolonie toe-eigende. Ook binnen de onderzochte museale collecties komt deze beeldvorming van de Kaapkolonie het vaakst voor.
Gelijke mogelijkheden over zee?

Prof. J.C.M. Warnsinck Fellow Linsey Duijmelink richtte haar onderzoek op de genderverhoudingen binnen de Nederlandse migratie naar Amerika via de Holland-Amerika Lijn (HAL) tussen 1900 en 1940. Aan de hand van de boekingslijsten onderzocht zij treintickets die door de hoofdboeker via de HAL konden worden gereserveerd voor de reis naar de uiteindelijke vestigingsgebieden. Daarbij maakte Linsey een onderscheid tussen stedelijke en agrarische regio’s. Tot aan de Eerste Wereldoorlog kenden de Verenigde Staten voor Westerse immigranten nauwelijks immigratiebeperkingen, zolang men maar geen ernstige ziektes meebracht. Tijdens de Eerste Wereldoorlog daalde het aantal reizigers sterk door de gevaarlijke omstandigheden op zee. In de jaren 1920, met de invoering van nieuwe migratiewetten, ontstond een opvallende verschuiving: op sommige moment was het aantal vrouwelijke hoofdboekers zelfs groter dan dat van het aantal mannen. Uit haar analyse kwam een duidelijk verschil naar voren tussen mannelijke en vrouwelijke hoofdboekers: vrouwen reisden relatief meer naar stedelijke gebieden, terwijl mannen zich vaker naar agrarische regio’s begaven.
In het Licht van de Rijzende Zon

Het intermezzo tussen de lezingen van de onderzoeksfellows werd verzorgd door Sara Keijzer, conservator fotografie & film van Het Scheepvaartmuseum. Op 5 maart opende daar de tentoonstelling Ekō – Japan in twee beeldverhalen, waarin vroege foto’s van Japan hun “echo” vinden in het werk van fotograaf en beeldend kunstenaar Anaïs López. Het onderzoek van Sara staat beschreven in het cahier In het Licht van de Rijzende Zon. De fotoalbums van Dirk de Graeff van Polsbroek 1857-1869. De foto’s uit deze albums tonen Japan in een bijzondere periode, waarin het land zich onder Westerse druk opende voor de buitenwereld.
De Nederlandse diplomaat Dirk de Graeff van Polsbroek (1833-1916) was destijds gevestigd in Japan. Het merendeel van de foto’s uit zijn albums is gemaakt door de invloedrijke Brits-Italiaanse fotograaf Felice Beato (1832–1909). Later nam Beato deze foto’s op in zijn eigen albums over Japan. Door de grote populariteit en brede verspreiding van deze fotoalbums oefende Beato een aanzienlijke invloed uit op de westerse beeldvorming van Japan. Aangezien De Graeff van Polsbroek een belangrijke rol speelde in de totstandkoming van de foto’s droeg hij zelf ook actief bij aan de westerse perceptie van het Japan.
Een tweede thuis voor Afro-Caribische zeelieden in Amsterdam

Na de officiële pauze was het de beurt aan Prof. J.C.M. Warnsinck Fellow Hugo Post. Zijn onderzoek richtte zich op de netwerken van Afro-Caribische zeelieden van de Koninklijke West-Indische Maildienst (KWIM) in Amsterdam in de periode 1919–1939. Wanneer de schepen van de KWIM in Amsterdam aankwamen, kreeg de bemanning ongeveer twee weken verlof. Voor bemanningsleden uit Suriname en Curaçao betekende dit dat zij tijdelijk onderdak moesten vinden, en Hugo bracht dit netwerk in kaart.
Aan de Kromme Waal 24 bevond zich bijvoorbeeld het Curaçaos tehuis S. Maria Immacolada, opgericht door kapelaan C. Wijnker. Het tehuis was bedoeld om de zeelieden te beschermen tegen de ‘onzedelijke verleidingen’ van de grote stad. Wie niet onder het voortdurende toezicht van een kapelaan wilde staan kon terecht op adressen aan de Zeedijk 20, en later de Warmoesstraat 1. Op deze locaties bevonden zich logementen die werden gerund door José Maria Francisco Curiel en zijn vrouw Wilhelmina Schmidt, bijgenaamd Tante Mien. Tante Mien en Curiel, geboren op Curaçao en zelf voormalig zeeman, boden de Afro-Caribische bemanning van de KWIM daarmee een tweede thuis in Amsterdam.
De ‘Boonacker’, een papieren dokter of levensecht hulpmiddel?

De laatste lezing werd verzorgd door Prof. J.C.M. Warnsinck Fellow Mia Vrijens. Mia onderzocht het medisch-verpleegkundig handelen door koopvaardijpersoneel in de tweede helft van de twintigste eeuw. In die periode moesten stuurlieden, als onderdeel van hun opleiding tot eerste stuurman, stages lopen op de spoedeisende hulp van verschillende ziekenhuizen. Om beter inzicht te krijgen in de praktijk van deze stages zette Mia in het klein een oral history-project op, waarbij zij vijf geïnterviewden uit uiteenlopende functies sprak. Uit de gesprekken kwam naar voren dat deze stages van groot belang waren voor het aanleren van vaardigheden op het gebied van wondverzorging en de behandeling van ziekten aan boord. Opvallend genoeg vonden de betrokkenen het destijds volkomen vanzelfsprekend dat zij zonder enige medische opleiding op de spoedeisende hulp rondliepen.
Aan boord konden de stuurlieden daarnaast terugvallen op een rood medisch handboekje dat sinds de jaren 1910 verplicht was als EHBO-handleiding. Dit boekje is geschreven door Dr. H.J.M. Boonacker. Hij vestigde zich in 1893 als huisarts in Maassluis en kwam regelmatig in aanraking met medische incidenten die zich op vissersschepen hadden voorgedaan. In 1898 concludeerde een commissie dat er EHBO-cursussen voor zeelieden moesten worden ingevoerd, waarna Boonacker werd aangesteld om deze te verzorgen. In 1901 publiceerde hij zijn eerste handleiding voor basale EHBO voor zeevissers, waarna verschillende vervolgedities verschenen. Het karakteristieke rode boekje bleef in gebruik tot begin jaren 1990. Tegenwoordig geldt een Engelstalig handboek uit het Verenigd Koninkrijk als de standaard. Wel is het nog altijd verplicht om een dergelijke handleiding aan boord te hebben, voor het geval moderne communicatiemiddelen uitvallen.
Nieuwe Fellows
De volgende Fellowshipsmiddag zal op 26 februari 2027 plaatsvinden. Hierin zullen onder meer Sara Wieman, Sailaja Mundakkal (beide Prof. J.C.M. Warnsinck Fellow en Geke Burger (Dr. Ernst Crone Fellow) hun onderzoek presenteren. Hopelijk tot dan!
Biografie
Isaäc Vogelsang is conservator schilderijen, tekeningen en prenten bij Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam.