Blog: Verslag symposium Wurkgroep Maritime Skiednis. Alle hens op ’t dek

Overzicht zaal met toehoorders. Foto Ron Brand.

Op zaterdag 27 maart 2026 vond het 16e symposium van de Wurkgroep Maritime Skiednis van de Fryske Akademy plaats in de Koperen Tuin in Leeuwarden. Dit symposium, dat tevens het afscheidssymposium was van Hanno Brand als bijzonder hoogleraar Friese Maritieme Geschiedenis, trok een volle zaal met ruim 165 bezoekers. Dagvoorzitter Peter Tolsma memoreerde dat de naam van de locatie ‘de Koperen Tuin’ een titel van de schrijver Simon Vestdijk betrof en dat er afgezien van de geboorteplaats van de schrijver, namelijk Harlingen, niet veel maritiems aan dit boek te ontdekken is.

Rein de Lange over de werf in Harlingen. Foto Jelle Jan Koopmans.

Spreker en werkgroep-lid Rein de Lange (senior beleidsmedewerker van de Nederlandse Kustwacht) vertelde over de bemanning van de Bataafse Vloot in Harlingen tussen 1797 en 1808. 48 procent van de bemanning kwam uit de steden in Friesland , maar ook 20 procent kwam uit het buitenland (met name Pruisen). Veel bemanningsleden waren protestants (gereformeerd, 59 procent), slechts een klein deel doopsgezind. De meesten van hen waren afkomstig uit de maritieme sector (42 procent). Aanmonsteren op de Bataafse vloot was vaak niet de eerste keus. De omstandigheden en de hygiëne aan boord waren zeer slecht. De Bataafse vloot kende op zijn hoogtepunt maximaal 12.000 bemanningsleden. Veel van hen deserteerden naar het Verenigd Koninkrijk omdat zij prinsgezind waren.

Wouter Waldus over binnenlands transport op de Zuiderzee. Foto Jelle Jan Koopmans.

Wouter Waldus (senior onderzoeker en maritiem archeoloog bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) sprak over het leven aan boord van turfschepen op de Zuiderzee. In de omgeving van het IJsselmeer zijn 702 wrakken geïdentificeerd. Het grootste gedeelte daarvan zijn vrachtschepen. Veel hiervan vervoerden turf naar Holland. Daar waren per jaar zeker 30.000 dagwerken aan turf nodig. Een dagwerk bestond uit de hoeveelheid turf die een ervaren vervener per dag kon steken, ongeveer 10.000 turven. Per schip konden ongeveer drie dagwerken worden vervoerd. Om dit te kunnen vervoeren heb je dus 10.000 vaarten nodig en waarschijnlijk zo’n 600 turfschippers. De grootte en de luxe van de gevonden schepen is heel wisselend. Een van de gevonden vroeg zeventiende-eeuwse schepen bevatte zeven tinnen lepels, tegels, borden en miniatuurkanonnen die vaak aan veteranen werden geschonken en een haardplaat. 

Geke Burger over de bewapening aan boord. Foto Jelle Jan Koopmans.

Geke Burger (maritiem historicus bij Het Scheepvaartmuseum Amsterdam) brengt in haar onderzoek archeologie en geschreven bronnen bij elkaar. Haar bijdrage ging over het leven aan boord van de koopvaarder Scheurrak SO1. Uit scheepsinventarissen is veel nuttige informatie te halen over wat er aan boord was van de schepen en archeologische vondsten kunnen het hieruit ontstane beeld mooi bevestigen en aanvullen. Zo was de bemanning vaak zelf verantwoordelijk voor de kledij aan boord. In de inventarissen en rekeningen is hier niet veel informatie over terug te vinden maar in de archeologie des te meer. Zo was in een zogenaamde straatvaarder die in 1984 gevonden is veel luxe textiel aanwezig. Andere zaken aan boord waren een stenen oven om te koken, wapens, verschillende navigatie-instrumenten, verschillende resten van voedsel en zaken voor persoonlijke hygiëne zoals een luizenkam.  

Jurjen Leinenga over de walvisvaarders. Foto Jelle Jan Koopmans.

Jurjen Leininga (maritiem historisch onderzoeker) vertelde over het dagelijks leven aan boord van een walvisvaarder. De Nederlandse walvisvaart begon in 1612 bij Spitsbergen. Tijdens de tochten van de cartograaf Willem Barendsz nam deze ook walvissen waar. Naar aanleiding hiervan werd de Noordsche Compagnie opgericht. Walvisvaarders hadden vaak een bemanning van 40 tot 50 man. De reis naar het vangstgebied duurde gemiddeld een week of zes. Tijdens de reis werd met de kor en hoekwand gevist op heilbot, kabeljauw, schelvis en schol. Het wasgoed werd in een vat gedaan en met zoet water en zeep gewassen door er met blote voeten in te stampen. Het eten en drinken was van zeer wisselende kwaliteit. Er ging van alles mee aan boord, maar vaak viel het niet mee om het niet te laten bederven. Het meegenomen water werd vaak dusdanig slecht dat er wormpjes in zwommen en scheepsbeschuit hard en schimmelig. 

Hanno Brand met een gevonden spotgedicht op de heer Wigerii. Foto Jelle Jan Koopmans.

De bijdrage van Hanno Brand ging over zijn onderzoek naar de Prize Papers en dan in het bijzonder naar het schip de Jonge Gerben Kingma. Dit schip werd door de Engelsen gekaapt. Om deze kapingen juridisch te rechtvaardigen werd de aanwezige administratie van het schip in beslag genomen en een uitvoerige administratie bijgehouden. Deze bestond onder andere uit een vragenlijst van 30 standaardvragen die aan alle schippers van gekaapte schepen werd voorgelegd. Uit de administratie van de 30 Friese schepen die Brand heeft bestudeerd is veel interessante informatie te achterhalen. De samenstelling van de bemanning, de partenrederij, de werven waar de schepen gebouwd werden, de navigatie op zee en de onderlinge schipperscompacten en scheepsverzekeringen. Brand werkte vanaf 2009 bij de Fryske Akademy als hoofd van de vakgroep geschiedenis. Van 2013 tot 2018 was hij directeur-bestuurder van de Fryske Akademy. Van 2017 tot 2022 was Brand namens de Fryske Akademy bijzonder hoogleraar Friesland in de handelsnetwerken van pre-industrieel Europa (1000-1800) namens de Fryske Akademy aan de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen.

Tot slot kwamen brachten mediëvist Dick de Boer en directeur-bestuurder van de Fryske Akademy Nelleke IJssenagger-van der Pluijm een ode aan Hanno Brand door mooie anekdotes aan een bijzondere carrière op te halen en hem te bedanken voor al het werk dat hij voor de academie en in andere gremia heeft verricht. Tot slot volgde een gezellige borrel en een mooie reünie voor ieder met een hart voor de Friese maritieme geschiedenis.

Biografie

Jelle Jan Koopmans (Sneek 1984) studeerde economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn scriptie ging over de economische en politieke elite van zijn geboortestad Sneek tussen 1870 en 1910. Vervolgens schreef hij een boek over de Rabobank in Noord-Drenthe tussen 1904 en 2008. Tijdens het promotieonderzoek schreef hij artikelen over Makkum, de familie Kingma en het Fries Partenbezit. Ook is hij al geruime tijd bestuurslid van de Wurkgroep Maritime Skiednis van de Fryske Akademy. Op 29 oktober 2020 promoveerde hij tot doctor op het proefschrift: Vrachtvaarders van Europa. Op dit moment werkt hij als medewerker complexe hypotheken bij de Rabobank.