Blog: De IJsselkogge, of  ‘Daarheen en weer terug’

De IJsselkogge samen met los scheepshout in het conserveringsstation bij Museum Batavialand, waar het wrak tussen 2016 en 2026 verbleef.

Joran Smale, conservator van de maritieme rijkscollectie bij Museum Batavialand, vertelt in deze blog over de volgende stap in de reis van de IJsselkogge. Maar eerst: hoe zat het ook alweer met dit middeleeuwse scheepswrak, en wat maakt het zo bijzonder?

Een kogge in Kampen? Daar hebben ze er toch al een?

Op zich geen rare plek om een kogge te vinden, in de IJssel bij Kampen. De kogge was een van de vroegste scheepstypen die speciaal was toegerust voor bulktransport van handelswaar, dankzij de bolle rompvorm en het diepe ruim. En de IJsselstad Kampen was één van de steden die zich in de late middeleeuwen aansloten bij de Hanze. Dit internationale verbond had een hoofdkantoor in Lübeck en strekte zich uit van Londen in het westen tot het Russische Novosibirsk in het oosten. De belangrijkste functie was het behartigen en beschermen van de handelsbelangen van de deelnemende steden. Je zou kunnen zeggen dat Kampen uitgroeide tot het ‘Rotterdam van de middeleeuwen’, met dank aan de maritieme handel. Koggen speelden hierbij een cruciale rol en groeiden uit tot een symbool van de Hanze. Menig Hanzestad beeldde ze zelfs af op hun stadszegel. Tot het midden van de vorige eeuw waren dit soort afbeeldingen het enige wat we hadden om een beeld te krijgen van deze schepen.

Totdat ze teruggevonden begonnen te worden door archeologen, zowel onderwater als op het land. Nederland had wat dat betreft een primeur: in de oorlogsjaren werd in de Noordoostpolder het eerste als een kogge herkend wrak opgegraven. Er zouden daarna nog vele vondsten van koggen in Flevoland, maar soms ook elders in Europa volgen. In de jaren ’90 werd in Kampen de Kamper kogge gebouwd, waarbij men uiteraard niet wist dat er zich op een paar honderd meter van de werf een échte kogge uit de vijftiende eeuw in de IJssel bevond. Bij de bouw van de Kamper kogge moest men zich dan ook voor een groot deel baseren op het tot dan toe meest complete in Nederland gevonden archeologische exemplaar: wrak ZO36, dat in de jaren ’80 was opgegraven bij Zeewolde. Het was dankzij het ‘Ruimte voor de rivier’-project van Rijkswaterstaat dat de kogge op de bodem van de IJssel in beeld kwam. In Nederland geldt voor archeologie het ‘de verstoorder betaalt’-principe. Rijkswaterstaat was dus financieel verantwoordelijk voor het onderzoek en de afhandeling van deze archeologische kennisbron. Vanwege de noodzakelijke verdieping van de IJssel was laten liggen van het wrak op de vindplaats geen optie. Zo kwam het dat in 2016, na diverse duiken en documentatie van het wrak ‘in situ’, het consortium Isalacogghe het wrak triomfantelijk boven water wist te brengen.

Maar wat maakt de IJsselkogge nu zo bijzonder?

Tot nu toe zijn er over de hele wereld iets meer dan 30 wrakken van koggen bekend. Ongeveer de helft hiervan is teruggevonden in Nederland, hetgeen iets zegt over de bijzondere bewaringsomstandigheden in de bodems van ons waterrijke land. Afdekking door met het water meegevoerde sedimenten en een hoge grondwaterstand beperken bijvoorbeeld de toegang van zuurstof en zijn zo goed voor het behoud van hout en ander organisch materiaal. De meeste koggewraken, tot nu toe maar liefst vijftien, zijn dankzij het droogleggen van de Zuiderzee in Flevoland ontdekt (en worden uitgebreid behandeld in Karel Vlierman’s Cogs, small cogs and boats (2021). Maar hoe onderscheidt de IJsselkogge zich van deze andere exemplaren?

  • De IJsselkogge is het meest complete koggewrak van Nederland. Van veel wrakken vergaan de hogere delen van het schip, doordat die delen na het zinken langer worden blootgesteld aan erosie, verroesting en verrotting dan de onderkant. De IJsselkogge was dankzij de aanvoer van sediment door de IJssel relatief compleet onder het zand terechtgekomen, van vlak (onderkant) tot boord.
  • De IJsselkogge is tot nu toe het enige wrak van een kogge waarin een bakstenen koepeloven is aangetroffen (hier te bekijken in 3D). Als andere koggen ook zo’n oven hadden gehad, dan is de kans groot dat daar toch op zijn minst iets van teruggevonden was; bakstenen blijven immers makkelijker op hun plek liggen en rotten niet weg. De aanwezigheid van een oven zou kunnen betekenen, dat wanneer het schip met andere schepen in konvooi voer (een maatregel ter bescherming tegen zeerovers), het daarbij de rol op zich nam van voedselschip. Of beter gezegd: fourageschip.
  • De IJsselkogge is relatief jong van model. Dat wil zeggen, het zou niet lang duren voordat dit scheepstype zijn maximale omvang bereikte, en de IJsselkogge is met een gereconstrueerde oorspronkelijke lengte van zo’n 26 meter dan ook groter dan veel van de oudere koggewrakken die gevonden zijn. Wilde men nóg groter bouwen, dan was het noodzakelijk om op een essentieel andere bouwwijze over te stappen. De IJsselkogge vertegenwoordigt bij uitstek een ‘uitontwikkeld’ model van de middeleeuwse kogge.
  • De manier waarop het wrak in de rivierbodem ligt, werpt een interessant scenario op. Is het schip opzettelijk afgezonken geweest als een vorm van middeleeuws watermanagement? Het schip ligt namelijk op een dusdanige wijze in de IJssel dat het een obstakel moet zijn geweest voor de stroming van de toenmalige IJssel. Dat betekent dat dezelfde hoeveelheid water nu door een nauwere monding heen moet, wat ervoor kan zorgen dat een rivier dieper uitslijt. Hebben de Kampenaren in de vijftiende eeuw zich dat gerealiseerd? Men zal in ieder geval de noodzaak gevoeld hebben om Kampen zo goed en zo lang mogelijk toegankelijk te houden voor de grotere schepen. Schepen met een steeds grotere diepgang, terwijl de rivier alsmaar ondieper werd ten gevolge van dichtslibben…

Een behouden vaart

Een schilderij waarop de IJsselkogge in Kampen wordt verbeeld, vervaardigd door Arnold de Lange naar aanleiding van het archeologisch onderzoek.

De keuze voor bergen en conserveren was nog maar het begin. In de aanloop naar 2016 was namelijk al duidelijk geworden dat de scheepsarcheologische afdeling van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Lelystad, die dergelijke grote projecten doorgaans op zich nam, hun gebouw en daarmee ook hun faciliteiten zouden verlaten om ondergebracht te worden bij Museum Batavialand. Daar wordt sindsdien de maritieme archeologische rijkscollectie beheerd, de collectie waarin ook de kogge en de daarbij gevonden objecten zijn opgenomen. Deze uithuizing maakte het noodzakelijk om een speciaal tijdelijk koggeconserveringsstation te bouwen bij het museum, toen overigens nog het Nieuw Land Erfgoedcentrum geheten. Daar zouden scheepsarcheologisch specialisten Laura Koehler en Gert Schreurs de monsterklus van het impregneren en beheersen van de luchtvochtigheid op zich nemen.

De IJsselkogge, verpakt in een wit zeil, wordt naast de Batavia een ponton opgereden om over het water van Lelystad naar Zwartsluis gebracht te kunnen worden.

Conservering van groot archeologisch nathout vindt meestal plaats met behulp polyethyleenglycol, afgekort PEG. Deze wasachtige substantie neemt de plaats van het water in de houtcellen in, zorgt zo voor stevigheid en voorkomt verdere verrotting. Voor kleinere vondsten is onderdompelen in een bassin de eenvoudigste optie, maar dat was gezien het formaat van de IJsselkogge niet aan de orde. Daarom was het aan Laura en Gert om, gewapend met sproeiers en gekleed in veiligheidspakken zo geel als Minions, handmatig meermaals alle bereikbare oppervlakken van de IJsselkogge met PEG te behandelen.

Ondertussen zorgde de sproei-installatie van het gebouw voor een relatieve luchtvochtigheid van bijna 100%. Uitdrogen is namelijk funest voor archeologisch hout: de cellen zijn na hun lange verblijf op de rivierbodem verzadigd met water, en zouden na verdamping ineen klappen. Dit kan krimp, scheuren en torsie veroorzaken. Na het impregneren werd de luchtvochtigheid zeer geleidelijk aan teruggebracht naar die van een reguliere expositieruimte. De creatieve maar bijzonder efficiënte toepassing van rode Chinese autokrukken, rondom het wrak geplaatst tussen het transportframe en het scheepshout, maakte het mogelijk om de ondersteuning gedurende het proces waar nodig bij te stellen (goed te zien op deze scan van het wrak).

De reis huiswaarts

De berging van de IJsselkogge is nu bijna tien jaar geleden. In het begin heerste misschien het sentiment, dat het toch nog zo lang duurt voordat een dergelijk schip eindelijk geconserveerd is. Maar de tijd gaat snel en het geheugen vervaagt; veel van de mensen die ten tijde van de berging bij het project betrokken zitten inmiddels alweer op andere plekken. Het is misschien verrassend, maar tegelijk ook niet, dat veertig jaar geleden ditzelfde probleem met het conserveren van scheepswrakken al werd geconstateerd: hoe houd je iedereen enthousiast en op één lijn, in een traject dat zo kostbaar is en zo lang duurt? Gelukkig lijkt de IJsselkogge, al is het misschien met de hakken over de IJssel, alsnog een toekomst in Kampen beschoren.

Intussen wordt daar hard gewerkt aan een geschikt onderkomen voor de IJsselkogge: een paviljoen waarin het schip na zoveel jaar eindelijk weer eens door het publiek bezocht kan worden, en op termijn wordt zelfs gedacht aan een Nationaal Hanzemuseum. Ook Museum Batavialand heeft echter plannen die ruimte vergen. Daarom wordt de IJsselkogge in januari 2026 eerst naar een locatie in Zwartsluis vervoerd. Die plek biedt tevens de mogelijkheid tot restauratie, in het bijzonder het terugplaatsen van losse houten onderdelen. Daar zijn er namelijk een flink aantal van geborgen en meegeconserveerd. Kortom, er is nog wel wat werk voor de boeg. En tussen boeg en achtersteven, technisch gezien.

Biografie

Joran Smale

Joran Smale (Hardenberg 1989) is sinds 2017 werkzaam als conservator van de maritieme rijkscollectie, die in beheer is overgedragen aan Museum Batavialand in Lelystad. Daar zorgt hij voor ontsluiting van de collectie door onder andere het maken van tentoonstellingen. Ook faciliteert hij onderzoek naar de archeologische vondsten uit de honderden scheepswrakken die in Nederland zijn bedoken en opgegraven, waarvan velen in de Flevopolders.

Bronmateriaal

– André van Holk 2010. Maritieme archeologie van de kogge. In Hanno Brand en Egge knol (red.) 2010: Koggen, Kooplieden en Kantoren, p. 124-143.
– Karel Vlierman 2021. Cogs, small cogs and boats. The thirteenth- until sixteenth- century Dutch and Flemish archaeological finds from the Hanseatic shipbuilding tradition seen in a broader perspective. Zwolle: SPA uitgevers. Online beschikbaar via het Maritiem Portal.
– Neil Cossons, 1986. The costs of the venture. In: Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 1986, Verantwoord onder water, p. 45-50. Zutphen: Walburg Pers.
– Wouter Waldus (red.) 2018. ADC Monografie 24: De berging en lichting van de 15e-eeuwse IJsselkogge. Amersfoort: ADC Archeoprojecten.
– Wouter Waldus 2019. De IJsselkogge. Hanzeverleden boven water. Utrecht: Stichting Matrijs.