Blog: Het waterschip stond centraal tijdens het zeventiende Glavimans Symposion

Banner Glavimans Symposion. Foto Ron Brand.

Kenners weten het als het de tweede vrijdag van december is. Dan vindt namelijk het jaarlijkse Glavimans Symposion plaats, dé dag van de historische maritieme archeologie in Nederland. De eerste keer dat het symposion werd georganiseerd was in 1985 en toen waren er 11 deelnemers en 15 sprekers (!), zo bracht voorzitter van de Glavimans Stichting André van Holk in herinnering. Sommigen, waaronder hijzelf, waren aanwezig bij het allereerste symposion in Lelystad, waarvan Reinder Reinders de initiatiefnemer was. Van Holk toonde zich in zijn welkomstwoord verheugd over de groeiende interesse voor het maritieme verleden, zowel bij de oudere als jongere generatie. Met nu zo’n 150 deelnemers heeft het Glavimans Symposion zijn bestaansrecht dus zeker bewezen!

In deze editie stond het waterschip centraal, een stoer vissersschip dat in de zestiende en zeventiende eeuw op de Zuiderzee te vinden was. De laatste jaren vond het symposion plaats in Batavialand in Lelystad, maar voor deze editie was eenmalig uitgeweken naar Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Daar hadden vroeger op het hoogtepunt zo’n 30 waterschepen hun thuishaven. En vandaag opende de nieuwe tentoonstelling ‘Waterschip – van wrak tot verhaal’, de eerste tentoonstelling over een archeologisch onderwerp in Het Scheepvaartmuseum in 30 jaar!

Opening door André van Holk. Foto Marc Bakermans.

Vanaf het allereerste symposion kwamen onderwerpen op het raakvlak van maritieme archeologie, maritieme geschiedenis en scheepsbouw aan bod. In 2025 was er dus een jubileum te vieren, maar in de afgelopen 40 jaar was het scheepsbouwkundig aspect wat onderbelicht. Met het onderwerp van het waterschip wilde de stichting hierin verandering aanbrengen. Van Holk attendeerde de aanwezigen op de posterpresentaties die ook een plaats zullen krijgen in de te verschijnen artikelenbundel, en de stands van diverse uitgevers. Hij dankte tot slot de sponsoren die het symposion mogelijk hebben gemaakt en hoopte op een vruchtbare dag met een gevarieerd programma, waaraan het stichtingsbestuur hard heeft gewerkt.

Jeroen van der Vliet. Foto Marc Bakermans.

Van Holk bleef traditiegetrouw de voorzitter van het ochtendprogramma en gaf vervolgens het woord aan Jeroen van der Vliet, hoofd Collecties van Het Scheepvaartmuseum, voor een tweede verwelkoming. Van der Vliet ging in op de museumcollectie, waar archeologie maar een heel klein deel van uitmaakt. In de collectie van zo’n 350.000 voorwerpen voeren bouwtekeningen, boeken, handschriften en foto’s de boventoon. Zo’n 85 % van de collectie is eigendom van de Vereeniging Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum, de rest is van het Rijk of derden (bruiklenen). In de tentoonstellingen worden ongeveer 800 objecten gepresenteerd. Thema’s die worden behandeld, zijn hoe de scheepvaart het dagelijks leven van mensen raakt en ook hoe mensen zelf een bijdrage kunnen leveren aan een veranderende wereld. Ook kijkt het museum terug op het koloniale verleden. Het probeert bij deze thema’s discussies los te maken. Van der Vliet ging tot slot kort in op het depotgebouw Het Behouden Huis, de digitalisering van de 70.000 technische tekeningen, en de restauratie- en onderzoeksprogramma’s.

Documentaire ‘Het Waterschip’

Het eerste echte onderwerp van de dag was geen lezing, maar de vertoning van de documentairefilm ‘Het Waterschip’, gemaakt door Yuri van Koeveringe. Deze film is in samenwerking tussen Het Scheepvaartmuseum, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en Museum Batavialand geproduceerd en duurt ongeveer 25 minuten. De film begint met de opgraving van het zestiende-eeuwse wrak ZO31 bij Zeewolde. Het schip had een bun om verse vis te kunnen vervoeren. Waterschepen waren belangrijk voor de voedselvoorziening van Amsterdam. Bronnenonderzoek aan de hand van geschriften en afbeeldingen maakt veel duidelijk over de functie en het gebruik van waterschepen. Als werkschip had het waterschip een eigen plaats in de Amsterdamse haven. Waterschippers visten met kuilnetten. Zij trokken steeds verder naar het oosten van de Zuiderzee en kwamen daar in conflict met de vissers die visten met staande fuiken. Dit leidde in de tweede helft van de zestiende eeuw tot visserijoorlogen. Men ging palen in de zeebodem slaan ter bescherming van de lokale visserij. Van de circa 400 scheepswrakken in de voormalige Zuiderzee is zo’n 10 % (40) een waterschip. Dit zou te maken kunnen hebben met dat visserijconflict. Het waterschip bij Zeewolde is vrij compleet en heeft een vroege datering. Omdat het in de bodem relatief snel achteruit gaat, is besloten tot opgraving door de Veldschool Archeologie. Dendrochronologisch onderzoek wees uit dat het hout van het schip dateert uit 1518/19, toen de bomen zijn gekapt. Het hout komt uit Noordwest-Duitsland of Oost-Nederland en het Oostzeegebied. Dit zegt veel over de houthandel. In de bun van het schip zijn visresten (visbotjes) gevonden van verschillende vissoorten die in zoet, zout en brak water voorkomen. Het schip heeft dus op verschillende plaatsen gevist. In Batavialand wordt een waterschip nagebouwd om zodoende meer te weten te komen over de bouw ervan. De film eindigt met de vondstlocatie die nu helemaal verdwenen is, omdat de wrakresten zijn weggehaald. Alleen de kielbalk heeft men achtergelaten in de grond, als herinnering dat dit schip hier eens voer. Al met al is het een boeiende documentairefilm, waarin verschillende sprekers van de dag aan het woord komen en waaruit het multidisciplinaire karakter van het onderzoek goed tot uitdrukking komt.

Het waterschip in Amsterdamse archieven

Charlotte Jarvis. Foto Marc Bakermans.

De eerste spreker van de dag was Charlotte Jarvis, Meyjes wetenschappelijk onderzoeker bij Het Scheepvaartmuseum. Haar Engelstalige lezing betrof enkele vondsten in bronnen over het waterschip in de Amsterdamse archieven. Omdat de notariële archieven uit de periode 1578-1915 door het Stadsarchief Amsterdam zijn gedigitaliseerd is de toegang hiertoe gemakkelijker geworden, maar het is een complexe bron, waarin het zoeken nog best ingewikkeld is. Zo kwam ze niet alleen waterschepen tegen, maar ook bijvoorbeeld een huis dat ‘Het Waterschip’ heette. Ook zijn er transcriptiefouten, misleidende bronnen en onleesbare teksten. Samen met Bob Pierik, waarmee ze samen voorkomt in de documentaire, schrijft ze er een artikel over. Vervolgens ging Jarvis kort in op de nieuwe tentoonstelling over het waterschip, waarin de documentaire over ZO31 en diverse wrakvondsten van dit waterschip zijn te zien.

Presentatie Glavimansbundel

Boekpresentatie Glavimansbundel. Foto Marc Bakermans.

Hierna kreeg Wouter Waldus, maritiem archeoloog bij de RCE en bestuurslid van de Glavimans Stichting het woord. Hij toonde het eerste exemplaar van de bundel ‘Van wrakhout tot reconstructie’, met daarin de bijdragen van het vorige symposion in december 2024. Hij bood dit eerste exemplaar aan Frank Dallmeijer aan, voormalig scheepsmodelbouwer bij het NISA en sinds de opheffing daarvan werkzaam bij Museum Batavialand, die per 1 april 2026 met pensioen gaat. Hij staat op de omslagfoto. In zijn dankwoord pleitte Dallmeijer voor onderzoek dat leidt tot mooie scheepsmodellen.

Vervolgens was het pauze en kon onder het genot van koffie, thee met wat lekkers worden bijgepraat, de posterpresentaties bewonderd of boeken worden aangeschaft.

Visresten aan boord van waterschip ZO31

Inge van der Jagt. Foto Ron Brand.

Het tweede deel van het ochtendprogramma begon met een lezing door Inge van der Jagt, archeozoöloog bij de RCE, over waterschepen en hun vangst. Hierin ging ze in op de eerste resultaten van het archeozoölogisch onderzoek naar het waterschip ZO31 in Zeewolde. Ze legde eerst uit wat een archeozoöloog doet: onderzoek naar de relatie tussen mens en dier in het verleden. In dit kader onderzocht ze dus dierlijke resten in een scheepswrak. Ze beklemtoonde dat het bij het waterschip draait om vis en ze vond het een gemiste kans dat hiernaar eerder nog maar weinig onderzoek is gedaan. Waterschip ZO31 heeft zo’n tien jaar gevaren en is toen rechtstandig gezonken. De bun bleef vrijwel intact en bevatte een grote diversiteit aan vis, wat goed past bij de Zuiderzee. Pos en spiering kwamen het meeste voor, maar in totaal vond Van der Jagt de resten van zo’n 30 vissoorten. Zoutwatervissen komen vooral voor aan de westkant van de Zuiderzee, zoetwatervissen juist meer in het oostelijk deel daarvan. Dat geeft aan dat het waterschip op verschillende plekken heeft gevist.

Datering van het scheepshout van waterschip ZO31

Marta Dominguez Delmás. Foto Marc Bakermans.

Dendrochronologisch onderzoeker Marta Dominguez Delmás van de RCE en Naturalis Biodiversity Center sprak vervolgens, mede namens Thirza Fransen en Robert de Hoop over het dendrochronologisch onderzoek naar scheepswrak ZO31. Ze ging in op de datering, de houtherkomst en de bouwtechniek. Tijdens de opgraving door de Veldschool Archeologie in de periode 2022-2025 zijn circa 200 houtmonsters verzameld, waarvan veel met spinthout. Dat is het niet-verkernde hout van een boom: het bevindt zich tussen het kernhout en de bast van de boom. Als het spinthout aanwezig is, kan de datering aan de hand van de jaarringen nauwkeurig worden bepaald; indien ook de wankant aanwezig is, weten we niet alleen in welk jaar de boom is gekapt, maar ook in welk seizoen. Vervolgens gaf ze aan dat in Noord-Europa veranderingen in houttechnologieën bij de scheepsbouw plaatsvonden. Overnaads gebouwde schepen werden gebouwd van dun, met een bijl gespleten hout. Karveelgebouwde schepen hadden dikkere planken die werden gezaagd.

Presentatie publieksboek Scheurrak SO1

Boekpresentatie Wrakstukken, Alice Overmeer en Geke Burger. Foto Marc Bakermans.

Het ochtendprogramma werd afgesloten door Geke Burger, recent gepromoveerd aan de Universiteit Leiden op het onderwerp ‘Sunken History. Shipwreck Scheurrak SO1 in the late sixteenth-century Dutch maritime cultural landscape’. Ze wilde heel graag van haar wetenschappelijke proefschrift een publieksboek maken en dat is gelukt. Zij bood het eerste exemplaar van ‘Wrakstukken. Leven aan boord van een graanschip rond 1590’ aan aan Alice Overmeer, bestuurslid van de Glavimans Stichting, maar ook auteur van een doctoraalscriptie in 2000 over de inrichting van het Scheurrak SO1 scheepswrak.

Sfeerbeeld tentoonstelling Het Waterschip. Foto Ron Brand.

De lunchpauze die nu volgde, bood volop gelegenheid om de tentoonstelling ‘Waterschip – van wrak tot verhaal’ te gaan bekijken. Het is een kleine, maar smaakvolle tentoonstelling met een interessante vormgeving. Op de tentoonstellingsvloer zijn de contouren van het waterschip afgebeeld. Als de bezoeker hierover heen loopt, lijkt het net alsof die onderdeel uitmaakt van de bemanning van het schip.

Een onbekend scheepswrak in het Hoornse Hop: een waterschip?

Volle zaal. Foto Marc Bakermans.

Het middagprogramma stond net als vorige jaren onder de vertrouwde leiding van Arent Vos, bestuurslid van de Glavimans Stichting en maritiem historicus en archeoloog bij de RCE en Museum Batavialand. Hij gaf het woord aan de amateurduikers Ludger Brummelaar en Miranda Delfstra, die mede namens Joris Bleeker, een presentatie verzorgden over het onderzoek naar een onbekend scheepwrak in het Hoornse Hop, een deel van het Markermeer, een inham waaraan de stad Hoorn ligt. Daar werd in 2020 door ArcheoODC een nagenoeg compleet scheepswrak ontdekt, dat de codenaam NCN31430 kreeg. Het rechtstandig in de bodem gezonken schip werd eerst met sonar onderzocht, daarna werd er gedurende zeven dagen op gedoken. Het schip bleek circa negentien meter lang en zes meter breed te zijn. Door middel van prikken werd een bun of ruim van ongeveer 1.20 meter diep aangetroffen. Aan de hand van enkele houtfragmenten, zoals een deel van een roerblad, een stuk boeisel met verstaging en van een jufferblok, werd de voorzichtige conclusie getrokken dat het hier om een waterschip zou kunnen gaan. Het schip is gladboordig, karveelgebouwd en er zijn geen zijzwaarden of aanhechtingen daarvoor gevonden. Aangetroffen rood aardewerk dateert uit de periode 1600-1650. Dendrochronologisch onderzoek van het hout duidt op bomen die in 1461 zijn gekapt. Het schip kan daarmee worden gedateerd tussen 1461 en 1650, maar voor een preciezere ouderdomsbepaling moet nog meer onderzoek worden gedaan.

Waterschepen in de Zaanstreek

Vervolgens ging zelfstandig maritiem onderzoeker Victor Enthoven in op de locaties van Zaanse waterschepen. Hij noemde het waterschip het werkpaard van de Lage landen en nodigde de aanwezigen uit om ook verder te kijken dan alleen de Zuiderzee, ook al zijn de bronnen vrij beperkt. Op een prent uit de omgeving van Pieter Bruegel zien we een waterschip, hetgeen inhoudt dat dit scheepstype ook in de Zuidelijke Nederlanden voorkwam. Enthoven trof vermeldingen van waterschepen ook aan in Middelburg, Rotterdam en de Zaanstreek. Het waterschip werd gebruikt als vissersschip en als sleper, maar er is een verschil in hoe het waterschip in bronnen voorkomt. Op afbeeldingen zien we het waterschip vooral als sleper, terwijl het in geschreven bronnen vooral als vissersschip voorkomt. In de Zaanstreek werd het waterschip gebruikt als sleper in de houtvaart naar Amsterdam. Hout, afkomstig uit het Rijnland, kwam in de vorm van enorm uitgestrekte houtvlotten naar Dordrecht. Daar werden deze vlotten uit elkaar gehaald en in kleinere vlotverbanden door waterschepen naar Haarlem en Amsterdam gesleept. Waterschepen hadden meer functies: zo werden ze bijvoorbeeld ook gebruikt voor het laden en bevoorraden van drinkwater voor schepen en voor bergingswerk. Vervolgens presenteerde Enthoven een digitale atlas van de Zaanse maritieme nijverheid met maritieme locaties. Hierna liet hij enkele afbeeldingen zien, zoals een schilderij van Abraham de Verwer uit 1631 met zicht op een scheepswerf in de Zaanstreek met een waterschip op de helling. Aan de hand van de digitale kaart toonde hij aan wat het standpunt van de kunstenaar moet zijn geweest.

Visserijconflict op de Zuiderzee

De laatste spreker voor de koffie- en theepauze was André van Holk. Zijn lezing ging over het visserijconflict tussen de vissers van de oost- en westwal in de zestiende en zeventiende eeuw, waarbij waterschepen een centrale rol vervulden. De snelle groei van de steden maakte dat er meer voedsel nodig was. Men was echter afhankelijk van graanaanvoer vanuit het buitenland en de vaarroutes hiervoor waren kwetsbaar. Waterschippers konden de bevolking echter gemakkelijk voorzien van eiwitrijk voedsel: vis. Door de verzilting trokken de waterschippers steeds meer naar het oosten van de Zuiderzee. Hier werd jonge vis gevangen, wat een doorn in het oog was van de lokale vissers daar. De Hollanders vonden dat ze overal konden vissen, maar in Overijssel dacht men daar anders over. Er kwamen territoriale claims en afbakening, maar dit leidde toch tot een strijd om de zoetwatervis. Uiteindelijk werden er maatregelen genomen om de visserij te reguleren. Op waterschip ZO31 zijn merktekens aangetroffen, waarvan de betekenis onbekend is. Mogelijk zijn het brandmerken die worden omschreven in de visserijreglementen. Hierin stond dat de gaten in de bun niet een verkeerde diameter hebben. Ondermaatse vis moest volgens de Overijsselaars uit de bun kunnen zwemmen.

Waterschepen in Marken, eind achttiende eeuw

Reinder Reinders. Foto Ron Brand.

Na de pauze was het woord aan ‘éminence grise’ Reinder Reinders die de aanwezigen meenam in het verhaal van de sleepdiensten van de Marker waterschipper Klaas Cornelisz Roos tussen 1790 en 1798. Roos hield in die jaren een manuscript bij over zijn inkomsten als waterschipper. Het manuscript, nu in de collectie van Batavialand, maakt ook melding van de namen van andere waterschippers en scheepstypen die gesleept werden. Roos was een van de 20 waterschippers die in deze jaren actief waren tussen Marken en Amsterdam. Volgens de reglementen voor waterschippers uit 1792 en 1793 moesten hun schepen goed worden onderhouden, hiervoor werd ook geld verstrekt. Door de Franse inval was er in 1794/1795 sprake van een achteruitgang. Het aantal slepen werd minder, maar de inkomsten bleven nog goed. Na 1800 was het niet langer lonend en werden schepen ook niet goed meer onderhouden. Roos geeft (helaas) geen verhalen rondom het slepen, het zijn puur administratieve gegevens.

Korte pitches over lopend onderzoek

Roy Glasius. Foto Marc Bakermans.

Tot slot van het symposion waren er nog enkele korte pitches over lopend onderzoek. Amber Krooder vertelde over de analyse van de historische handelsroutes aan de hand van archeologische resten van scheepswrakken, vooral aan de hand van bakenloden. Haar casestudy betrof het wrak OL79 dat in 1796 is gezonken en gevonden bij Dronten. Bakenloden die aan boord zijn aangetroffen, zijn onder meer uitgegeven in Spaarndam, Moerdijk, Leiden en Willemstad. Deze verschaffen inzichten in de handelspatronen. Joep Verweij en Roy Glasius gingen in op een archeologisch onderzoek naar het scheepswrak OK45, een klein scheepje dat op twee wraklocaties op 25 km van elkaar is gevonden. Het scheepje heeft in brand gestaan en is door een ontploffing in tweeën gesplitst. Een aantal kanons en handwapens aan boord wijst erop dat het een smalschip was dat als uitlegger onderdeel uitmaakte van een eskader. Lisa Smeyers hield tot slot een verhaal over een archeologisch onderzoek van de scheepsinventaris van het negentiende-eeuwse scheepswrak OD2, een zogenaamd smalschip. Het schip lijkt na 1865 te zijn vergaan. Vermoedelijk waren er vijf opvarenden aan boord en vervoerde het schip vetkolen uit Duitsland.

Daarna was er nog gelegenheid voor een discussie met de sprekers. Daaruit bleek dat er ongeveer 40 wrakken van waterschepen zijn gevonden, maar alleen daterend uit de zestiende en zeventiende eeuw. Er zijn geen wrakken van daarna aangetroffen. Gezegd werd dat dit mogelijk te maken zou kunnen hebben met de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal, dat in 1824 gereed was. Hierdoor zouden schepen beter beschermd zijn dan op het open water van de Zuiderzee. Of dat werkelijk te geval is, is niet bekend.

De tijd voor discussie was helaas onvoldoende, maar daar gingen de aanwezigen tijdens de borrel na afloop gewoon mee verder. Tot slot kregen de sprekers een hartelijk applaus en een presentje voor hun bijdrage aan de dag. Iedere deelnemer kreeg bovendien een exemplaar mee van het boekje Redden op de rede. Redden in het Waddengebied in de 18e eeuw, geschreven door Gwen Lemmers die in 2023 Rien Meppelink Fellow was bij Het Scheepvaartmuseum.

Arent Vos deelde nog mee dat de succesvolle driedelige tv-serie ‘De jurk en het scheepswrak’ een vierde aflevering heeft gekregen onder de titel ‘De redders van het scheepswrak’. [Deze werd op Eerste Kerstdag, donderdag 25 december 2025, uitgezonden om 22.25 uur op NPO 2.]

En met de aankondiging dat het volgende (achttiende) Glavimans Symposion zal plaatsvinden op vrijdag 11 december 2026, wederom in Museum Batavialand in Lelystad (onderwerp nog niet bepaald), werd het inhoudelijke programma van deze succesvolle dag afgesloten.

Ron Brand (met dank aan Arent Vos)

Biografie

Ron Brand werkt bij het Maritiem Museum Rotterdam als conservator en coördinator van de bibliotheek. Hij is redacteur van het Maritiem Portal.