Blog: Reconstructie van een zestiende-eeuwse scheepsvlag

1 Amsterdamse vlag van Willem Barents. 14 Fragmenten zijn in bezit van het Rijksmuseum, Amsterdam. Foto Rijksmuseum, Amsterdam.

Wat als je een vlag moet namaken zonder dat iemand ooit heeft opgeschreven hoe zo’n vlag werd gemaakt? Toen in 2018 voor een heel groot model van het vlaggenschip van Michiel de Ruyter vlaggen nodig waren bleek dat er nooit onderzoek was gedaan naar hoe historische vlaggen werden gemaakt. Noch in Nederland, noch in andere West-Europese landen. Dit werd het startsein van een zoektocht naar bronnen die zouden kunnen bijdragen aan het kunnen reconstrueren van een zestiende-eeuwse scheepsvlag. Bij navraag onder de belangrijkste maritieme en historische musea in alle omringende landen bleken alleen het Zweedse Armé Museet in Stockholm en het Rijksmuseum van Amsterdam een collectie vlaggen te hebben. In Amsterdam en in Stockholm hebben we een tiental vlaggen kunnen onderzoeken. O ja, het Greenwich Maritime Museum heeft één vlag in de collectie, maar wel een heel bijzondere, de enige bewaard gebleven vlag uit de Commonwealth periode. Ook die hebben we onderzocht. Zo kregen we een aardig beeld van hoe historische vlaggen eruit zagen en gemaakt waren en konden we met behulp van zelfgemaakte macrofoto’s textiel technisch onderzoek doen.

Om een reconstructie van een vlag te kunnen maken startten we met literatuuronderzoek. Allereerst is het nodig om te weten van welk materiaal scheepsvlaggen gemaakt werden. In de catalogus  van het Rijksmuseum staat dat scheepsvlaggen van wol waren gemaakt. Maar dan rijst gelijk de vraag, van welk schapenras was die wol? Hierop wordt later teruggekomen.

Van voor 1700 is vrijwel niets bekend over vlaggenmakerij. Wel zijn in het VOC-archief, van de kamer Zeeland (1614-1618) en van de Boekhouding Enkhuizen (1608-1619), rekeningen gevonden van vlaggenleveranciers. De leveranciers waren zowel vrouwen als mannen, en vlaggen vielen onder de noemer stuurmansgereedschappen en niet onder zeilen. Vermoedelijk was rond die tijd spinnen, weven en vlaggen maken huisarbeid en zouden vooral vrouwen en ook kinderen het werk doen.

Na de zeventiende eeuw werd het spinnen en weven onderdeel van de Leidse lakenindustrie. Honderd jaar geleden zijn alle ordonnanties, keuren en dergelijke vanaf 1333 door N.W. Posthumus bijeengebracht in zes kloeke boeken. Vlaggendoek komt er nauwelijks in voor, waarschijnlijk omdat deze nering van ondergeschikt belang was ten opzichte van de vele soorten laken. Wat er vooral uitspringt is dat in de Leidse lakennijverheid heel lang alleen Engelse gekamde wol was toegestaan. Gebruik van gekaarde wol was ten strengste verboden.

De opkomst van de Engelse lakenindustrie leidde begin zestiende-eeuw tot een protectionistisch Engels beleid, om wol voor eigen productie te houden. Door de sterk teruggelopen aanvoer van Engelse wol werd in 1522 besloten dat in Leiden ook Spaanse wol mocht worden gebruikt. En tenslotte werd, heel schoorvoetend, in 1563 ook ‘hierlantse’ wol toegelaten. Hierlants, omdat de Republiek der verenigde Nederlanden nog niet bestond. Helaas worden er geen schapenrassen genoemd in de stukken.  

Over Engeland weten we dat in 1741 voor de vlaggendoekweverij van wol bijna de helft van langharige schapenrassen kwam, voornamelijk uit Lincoln en Leicestershire. In 1770 werd vrijwel alleen nog langharige wol gebruikt, voor het zogenoemde kamgaren, zoals dat ook gebruikt werd voor vlaggendoekweverij. Het lijkt aannemelijk dat ook voor de Leidse lakenindustrie de superieure langharige Engelse wol de voorkeur had, maar het is niet ondenkbaar dat ook wol gebruikt werd van Hollandse langharige rassen.

Veldwerk

2 Macrofoto van het zwarte doek.

Ondertussen begonnen we met veldwerk: onderzoek van vlaggen in het depot van het Rijksmuseum. Twee vlaggen waren het belangrijkst voor ons onderzoek. De eerste vlag betrof veertien fragmenten van wat in 1596 een Amsterdamse vlag van het schip van Willem Barentsz is geweest. De afmetingen zouden 280 x 470 cm zijn geweest. Om een vlag te reconstrueren moet je niet alleen de wolsoort kennen, maar ook moet je weten hoe het garen gesponnen is, hoe het doek geweven is, met welke kleurstoffen het doek geverfd is en hoe de kleden aan elkaar zijn genaaid.  In ons onderzoek meten we zo precies mogelijk de diktes van de ketting en inslagdraden, met behulp van macrofoto’s en een elektronische schuifmaat.

3 Schema met gevonden waarden.

We zien daarop ook hoe het garen gesponnen is en het doek geweven. Het schema op de afbeelding links geeft de metingen weer van de Amsterdamse vlag. De diktes zijn op honderdsten van een mm gemeten en later afgerond tot tienden van een mm. Hieruit blijkt dat het rode doek met iets dikker garen is geweven dan het zwarte. De inslagdraden zijn zelfs bijna twee maal zo dik.

4 De kapnaad waarmee het kruis was genaaid.

De metingen zijn op meerdere plekken herhaald en geven vergelijkbare waarden. Het witte doek van de fragmenten van het kruis is niet na te meten, omdat er te sterke inwerking van buiten af is geweest. Daardoor liggen te weinig garens nog parallel aan elkaar. Wel lijkt het erop dat zowel het rode als het zwarte doek, als ook het witte doek van verschillende  leveranties zijn.

De andere belangrijke scheepsvlag is een exemplaar dat mogelijk in 1515 door Karel V was ingevoerd voor Vlaanderen en Brabant, maar van wanneer deze vlag dateert is niet bekend. De vlag bestond uit drie banen, rood, wit en geel en ze was 385 x 490 cm groot.                                                                                  

5 Scheepsvlag van Vlaanderen en Brabant.

De bovenste rode baan ontbreekt en de andere banen zijn door onbekende oorzaak zwart geworden. Ook op deze vlag zijn metingen gedaan. Het gele doek blijkt anders geweven dan het doek van de Amsterdamse vlag van Barentsz. In plaats van 15 á 16 kettingdraden per cm heeft deze er 11 per cm en in plaats van 11 inslagdraden zijn er 14. Daarnaast zijn de draden wat dikker; de kettingen zijn tussen 0,4 en 0,5 mm en de inslagdraden zijn 0,5 mm gemiddeld. Daarmee is dit doek net zo open geweven als dat van de Amsterdamse vlag.

De vlag is voor ons vooral ook belangrijk omdat de naden compleet zijn, waardoor we kunnen zien met welke naaitechnieken is gewerkt. Tot onze verrassing bleek daar geen eenheid in te zijn. Met maar liefst drie verschillende naaitechnieken zijn de kleden aan elkaar genaaid! De kapnaad die we op het witte kruis van de Amsterdamse vlag zagen is het meest gebruikt. Maar ook een techniek die bekend is van de lichte zeilen van een schip, een zogeheten rolnaad, is eenmaal gebruikt en daarnaast een keer een zogeheten antiquenaad.

Met deze kennis waren we klaar om de draad letterlijk op te pakken. Dat begon met het spinnen van verschillende soorten langharige Engelse wol en van mohair van de Angorageit voor de kettingen. Zowel op de werf van Museum Batavialand als door spinners van Museum Jan Lont op Wieringen is geëxperimenteerd om zo dun mogelijk te spinnen. En dan blijkt dat het heel lastig is om net zo dun te spinnen als de draden van beide historische vlaggen. Vooral voor de kettingdraden was het belangrijk dat ze sterk genoeg zijn om opgespannen te kunnen worden op het weefgetouw.

In oude geschriften vonden we dat de kettingdraden sterker konden worden gemaakt met een papmiddel, bijvoorbeeld gelatine en met beenderlijm en daar is dan ook mee geëxperimenteerd. Dat bleek een grote verbetering. Hiermee konden proefstukjes worden geweven en zelfs een kleine wimpel. Maar we zitten nog midden in het proces, in het besef dat wat vroeger een leerproces van eeuwen was nu een paar jaar in beslag neemt. Het is ronduit bewonderenswaardig hoe vlaggendoek toen al zó verfijnd was dat het bij het kleinste zuchtje wind begon te wapperen én tegelijk stormen kon doorstaan.

Het doel van ons onderzoek is om vlaggen te gaan reconstrueren, en dan als eerste de Amsterdamse vlag van Willem Barentsz. Deze zou voor het waterschip (in aanbouw) kunnen worden gebruikt, omdat Amsterdam voor de meeste vissersschepen de thuishaven was.

Voor deze vlag, van 280 x 470 cm is véél gesponnen garen nodig. Omdat de afmetingen van de vlag nog niet echt duidelijk zijn en nader onderzoek nog nodig is, is het een voorlopige schatting dat er rond 5 km garen nodig is! En dat voor een betrekkelijk kleine vlag, de kampanjevlag van de 7 Provinciën was maar liefst 7 ½ meter hoog en 12 meter lang!

Biografieën

Aemile Lalk is sinds 2010 als vrijwilliger bij Museum Batavialand betrokken bij de vervaardiging van zeilen voor de Batavia en vanaf 2013 bij het op schaal maken van zeilen en vlaggen voor het grote model van de 7 Provinciën. Hij deed onderzoek naar zeilen en tuigage en publiceerde in Scheepshistorie over paarden en blokken op de7 Provinciën. Vanaf 2018 doet hij onderzoek naar historische vlaggen en publiceerde hij voor Vlag!, het tijdschrift van de Nederlandse vereniging voor vlaggenkunde en voor Flagmaster, Vexillogical Magazine of the Flag Institute, het tijdschrift van de Engelse vereniging voor vlaggenkunde. In Scheepshistorie wordt binnenkort over de reconstructie van de Amsterdamse vlag van Willem Barentsz van Nova Zembla gepubliceerd. Vanaf 2023 is hij leider van het ambacht modelbouw en momenteel start hij het ambacht vlaggenmakerij op, als leider hiervan.

Mathieu Rol is sinds 2012 zeilmaker en ook sinds 2013 betrokken bij het maken van zeilen en vlaggen voor het model van de 7 Provinciën. Hij is als fotograaf betrokken bij het onderzoek van de vlaggen en als kleurdeskundige bij het verven van wollen vlaggen. Hij is werkzaam als vrijwilliger bij Museum Batavialand.