Blog: Een zee aan drukwerk. Administratief drukwerk in de zeventiende-eeuwse maritieme wereld

Ongebruikte formulieren voor het vragen van losgeld over een veroverd Nederlands schip tijdens de Negenjarige Oorlog. Bron: The National Archives, Kew, HCA 32/1920/8. Foto Demi van Breukelen.

Vroegmoderne kaapvaart roept misschien enigszins ruige beelden op: kanonskogels die door de lucht vliegen, woeste zeelieden die met geheven zwaarden een schip betreden. Misschien komt het daarom als een verrassing dat kaapvaart gepaard ging met het nodige papierwerk. Want wanneer de kapitein van een Franse kaapvaarder een Nederlands schip betrad tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697), en hij besloot losgeld te eisen, haalde hij uit zijn zak twee kleine formulieren: een voor hemzelf, en een ander voor de Nederlandse schipper. De Nederlander vulde in ‘heden in zee verovert gheweest te zijn van capiteyn [… ]’. Op zijn eigen formulier bevestigde de Fransman de gevangenneming van de schipper. De mannen zetten hun handtekeningen en borgen de formulieren veilig op. De administratie was voltooid.

Administratief drukwerk

Deze ‘kaperskwitanties’ waren gedrukte formulieren: papieren met voorgedrukte tekst, waarop alleen de nodige informatie nog ingevuld hoefde te worden. Gedurende de zeventiende eeuw begon dergelijk administratief drukwerk zich steeds meer te verankeren in allerlei aspecten van de maritieme wereld. In de scheepskist in de kajuit kon men alsmaar meer gedrukte documenten vinden: kaperbrieven, zeebrieven, douanekwitanties, inspectieformulieren, instructies, plakkaten, en voor elk goed dat verscheept werd een cognossement. Dat laatste was een formulier dat in de zestiende eeuw al werd gedrukt. Menig boekhandelaar in Europese steden met maritieme activiteit boden ze gretig aan in verschillende talen, om de internationale handelaar van dienst te zijn.

Dit soort documenten zijn nauwelijks terug te vinden in archieven. Ze werden immers meestal direct weggegooid nadat ze hun functie hadden vervuld. Het archief van gekaapte scheepspapieren verzameld door de Britse High Court of Admiralty – beter bekend als de ‘Prize Papers’ – is echter een unieke goudmijn. De Franse kaperskwitanties zijn bijvoorbeeld in dit archief terechtgekomen doordat het voormalige Franse kaperschip St Pierre in mei 1695 veroverd werd door de Engelsen. Om te kunnen aantonen dat het schip daadwerkelijk tot de vijand behoorde, bewaarden de Engelsen alle papieren aan boord. Hieruit kon namelijk vaak de nationaliteit van het schip afgeleid worden. De papieren van de St Pierre, en honderden andere schepen, worden vandaag de dag bewaard door de Britse National Archives in Londen.

In het onderzoek voor mijn Masterscriptie heb ik de Prize Papers uitgebreid doorzocht, met als doel een beeld te krijgen van het gebruik van drukwerk binnen de zeventiende-eeuwse maritieme wereld.

Een Nederlandstalig cognossement, verkocht door boekverkoper Jacob Mancel in La Rochelle. Bron: The National Archives, Kew, HCA 32/1847/12. Foto Demi van Breukelen.

Een nuttige uitvinding

De zee aan gedrukte papieren is een indicatie van ontwikkelingen in maritieme bureaucratie in de zeventiende eeuw. De snelle toename in internationale handel en de voortgaande ontwikkeling van staatsapparaten zorgde voor een toename aan papierwerk – en daarmee schrijfwerk voor administrateurs. De drukpers, uitgevonden in de vroege vijftiende eeuw, bood een uitkomst. Deze kon zorgen voor meer efficiëntie, eenparigheid, en structuur in de groeiende maritieme administratie. Aan de andere kant maakte juist de efficiëntie van de drukpers ook meerpapierwerk mogelijk: het nieuwe medium bood mogelijkheden voor de gemakkelijke, wijdverbreide verspreiding van informatie op een schaal die voorheen onvoorzien was. En zo zien we de rol van drukwerk in de maritieme wereld alsmaar toenemen.

Een anti-smokkelsysteem

Hoe zeer drukwerk geïntegreerd was in de maritieme wereld wordt duidelijk als we kijken naar het systeem van het innen van de import- en exportbelastingen van de Republiek, de convoyen en licenten.

Voordat een schipper zijn schip mocht inladen, moest hij eerst langs het kantoor van de convoyen en licenten. Op het bureau vond hij een lijst met de meest recente tarieven, vastgesteld door de Staten-Generaal en gedrukt door haar officiële drukker. De schipper – of zijn convoy-loper, iemand die het tripje naar het belastingkantoor in zijn beurt maakte – betaalde de gevraagde somma, en kreeg vervolgens twee gedrukte kwitanties. Met een laadcedulle verkreeg hij toestemming zijn schip te laden, terwijl een goederenpaspoort een bevestiging was dat de belasting over de erop vermelde goederen betaald was.

Een kwitantie voor belasting over inkomende goederen, getekend op 10 juni 1671. Bron: The National Archives, Kew, HCA 32/1847/16. Foto Demi van Breukelen.

Met deze documenten op zak kon de schipper de stad verlaten, maar niet voordat hij aangehouden werd bij de ‘boom’, de stadspoort op het water. Daar stond een zogenoemde ‘chercher’ op hem te wachten, aan wie de schipper de verkregen douanepapieren overhandigde. De chercher inspecteerde de lading, en als alles in orde was, signeerde hij de documenten en mocht het schip zijn weg vervolgen.

De ‘uyterste wacht’

Net voordat een schip de Republiek wilde verlaten, wanneer de open zee al in zicht was, werd het echter nogmaals aangehouden. Sinds de vorige controle was er immers volop gelegenheid geweest om goederen aan boord te brengen waarover geen belasting was betaald. Om dergelijke smokkelarij tegen te gaan lagen voor de zeegaten, op de ‘uyterste wachten’, Admiraliteitsschepen voor anker. Opnieuw kwamen er cherchers aan boord van het vertrekkende schip. Althans, als ze daartoe de mogelijkheid werden geboden. In verschillende plakkaten werd overvloedig geklaagd over de ‘moetwilligheydt der schipperen’ om de inspecteurs aan boord te laten, waarbij deze soms in ernstig gevaar gebracht werden om overvaren te worden. In 1619 had het zes mannen het leven gekost.

In een poging deze malicieuze praktijken te beteugelen, introduceerde de Staten-Generaal een nieuw formulier, dat uiteraard gedrukt was. Na een succesvolle inspectie van paspoorten en goederen kreeg de schipper en zijn stuurman het overhandigd. Met hun handtekeningen verklaarden ze dat in hun schip ‘geen andere ofte verdere goederen, waren ofte koopmanschappen, met onse kennisse zijn geladen, dan alleenlick die gene die geexpresseert zijn in de paspoorten.’ De schipper moest het document goed bewaren tijdens zijn reis, want alleen als hij dit bij zijn terugkomst had getoond aan een medewerker van het belastingkantoor, dan kon hij een loscedulle ontvangen om zijn schip uit te laden. De inspecties waren dus moeilijk te omzeilen: het ontbreken van een formulier zou in de toekomst problemen opleveren.

Een formulier ingevuld na inspectie op de ‘uyterste wacht’, ondertekend op 27 oktober 1671. Bron: The National Archives, Kew, HCA 30/1067. Foto Demi van Breukelen.

En men nam graag het zekere voor het onzekere. Wanneer een schip terugkwam uit een gebied waar een epidemie woedde – of het nou een (tevens veelal gedrukte) gezondheidsverklaring (bill of health) had verkregen of niet – dan moest dit formulier eerst volledig in de azijn ondergedompeld worden voordat het douanepersoneel het aan mocht raken. Het laat zien hoe erg dit soort drukwerk vervlochten zat in de dagelijkse realiteit binnen de scheepvaart.

De gedrukte papieren die een schipper ontving in het systeem van de convoyen en licenten, of die een Franse kaapvaarder gebruikte voor het innen van zijn losgeld, vormen slechts een klein deel van de overvloed aan drukwerk die rondging in de maritieme wereld. Het bestuderen van deze documenten geeft een fascinerend kijkje in de dagelijkse praktijken binnen deze wereld, en laat zien dat – toen net als nu – het een wereld was die veelal werd geregeerd door papierwerk.

Biografie          

Demi van Breukelen is promovenda aan de Universiteit van St Andrews in Schotland. Ze studeerde in 2025 af aan de onderzoeksmaster Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht met de scriptie ‘Sea of print. Printed administrative paperwork in maritime commerce of the seventeenth-century Dutch Republic’ waarvoor ze de Uitgeverij Verloren / Johan de Witt-scriptieprijs heeft mogen ontvangen. Haar promotieonderzoek gaat over het gebruik van administratief drukwerk in de staatsadministratie van de Republiek in de zeventiende eeuw.